Facebook Twitter

Les veus del Pamano

Jaume Cabré
De stemmen van de Pamano

Terwijl Valentí Targa de ochtend van zijn vrije dag doorbracht in de armen van een vrouw die hem het hoofd op hol bracht, dromend, in een watten wereld vol tederheid, trokken veel mensen eropuit om te zien of de zon de kou kon verjagen, zodat hun dik ingepakte kinderen op de Pier of op de Tibidabo konden uitrazen. En Oriol keek de hele stralende ochtend naar het portiek, liefkoosde het pistool dat hij op zak droeg en dacht, je bent te streng voor me geweest, Rosa, we hadden erover moeten praten, Rosa, ik ben geen fascist, Rosa, ik ben alleen maar bangelijk aangelegd, Rosa, maar nu ben ik bezig dat recht te zetten, Rosa; ik weet wel dat het te laat is, maar de woede die ik voel, omdat het te laat is, helpt me mijn angst enigszins in bedwang te houden. Hoe heet onze dochter? ik heb honger, Rosa, maar ik wilde het portiek in het oog blijven houden. En als ik het er niet levend vanaf breng, Rosa en Ventura, wil ik dat jullie te weten komen dat de heer Valentí Targa de kogel die ik door zijn oog zal proberen te jagen, zoals hij bij Ventureta heeft gedaan, meer dan verdiend heeft. In naam van Gods gerechtigheid, als die al bestaat, wat ik niet denk. Nou, Hij bestaat niet. Vertel het onze dochter, Rosa. Dat dacht ik, dochtertje.

Tina stopte met schrijven en hield het schrift van Oriol bij het licht. Een paar regels waren min of meer doorgestreept. Het was onmogelijk uit te maken wat Oriol Fontelles had opgeschreven en erna uitgevlakt op het moment dat hij het besluit nam en dat aan de schriften toevertrouwde om zich niet zo eenzaam te voelen. Toen voelde ze weer een steek en was bang voor de pijn, voor de dood, voor God, als Hij al bestaat, wat ik niet denk, zoals Oriol; voor de bekoelde liefde tussen haar en Jordi en vooral voor de steek in haar borst, die dreiging waarvan de arts had gezegd dat als die niet onschadelijk werd gemaakt die een soort tijdbom was, die aan haar lichaam zat vastgeplakt. Om niet bang te zijn concentreerde ze zich op de twee doorgestreepte regels. Wat was er die koude maandag in januari in Barcelona gebeurd? vroeg ze zichzelf af om niet aan die steek te hoeven denken.

Het volgende was gebeurd: de heer Valentí Targa kwam tegen het middaguur hand in hand met het snoepje naar buiten. Ze was een vrouw tussen jong en rijp, die inderdaad wel iets had. Oriol volgde hen via de Carrer de Trafalgar tot de Arc de Triomf. Zijn slachtoffers gingen een restaurant binnen vlakbij het Parc de la Ciutadella en Oriol ontgrendelde de veiligheidspal van zijn pistool en ging ook naar binnen, terwijl hij zijn adem inhield.

Doden is heel makkelijk. Het is zo makkelijk iemand te doden. En meer nog wanneer pure haat de moordenaar ertoe aanzet en, heel belangrijk, je de touwtjes in handen hebt. Toen Oriol de zaak was binnengegaan (restaurant Estació de Vilanova om twee uur ’s middags, vijf tafels waren bezet en aan de gereserveerde tafel in de hoek ging net iemand zitten. Een schaduw verduisterde de glazen toegangsdeur en opende deze), en zijn ogen aan het schemerlicht waren gewend, ontdekte hij Valentí Targa en liep vastbesloten op diens tafel af, terwijl hij probeerde te denken aan het gezicht van Ventureta en dat van zijn onbekende dochter. Het snoepje was met haar rug naar de muur gaan zitten en zei: ‘Hier goed, schat?’ En de heer Valentí zei ‘ja, terwijl hij met zijn rug naar zijn dood zitten. Oriol was voor het achterhoofd van Valentí aangekomen en had het pistool uit zijn zak gehaald. Toen, terwijl de vrouw, die hij voor zich had, haar mond opende zonder ook maar te snappen wat er gebeurde, dacht Oriol aan de heer Valentí Targa van de familie Roia uit Altron, burgemeester van Torena, laaghartig, moordenaar, trouweloos, dapper, arrogant, een meter zesenzeventig, vriend voor zijn vrienden en alleen voor zijn vrienden, vijand voor zijn vijanden, en begon zijn hand helemaal uit zichzelf te trillen, omdat doden niet zo makkelijk is als hij dacht, vooral als je de naam van je slachtoffer kent; vooral als je degene die je moet doden haat, maar je nog niet hebt geleerd hem te minachten. Zijn hand trilde op zo’n belachelijke manier dat een klant aan een van de naburige tafels ernaar keek en hij moest het pistool met twee handen vastpakken, terwijl de heer Valentí zich over tafel boog om zijn achterhoofd beter aan te bieden en op het punt stond met fluwelen stem te zeggen, je bent zo fantastisch, wanneer we klaar zijn met eten, gaan we terug. Maar hij slikte zijn zin in, omdat hij merkte dat het snoepje haar mond opende en over zijn schouder keek en hij vond het vreemd dat ze niet had gereageerd omdat het snoepje heel gevoelig was voor vlijerij. Er ging hem een lichtje op, want hoe kan ze ook reageren als ik haar nog niet ... Toen volgde de harde knal vlakbij zijn oor.

Oriol schoot een keer, twee keer en einde verhaal, want de derde keer kwam er al geen kogel meer uit en intussen bleef hij maar denken aan Ventureta en hoe diens oog in een loden gat was veranderd. Hij stopte het wapen weg in zijn zak en ging naar buiten, zonder te hollen en zonder de twee versteende mannen in de hal van het restaurant te zien. Desondanks kon hij horen hoe een van hen zei ‘klootzak,’ maar hij stopte niet om verhaal te halen, want hij had de gejaagdheid van moordenaars. Toen de Toen de glazen deur achter hem dichtviel, hoorde hij de gil van snoepje en het geluid van stoelen die achteruit geschoven worden, maar hij draaide zich niet om, omdat hij de trap van metrostation Triomf al in volle vaart afvloog en omdat het treinstel kwam en hij dacht: tenminste één keer in mijn leven lopen de dingen op rolletjes. Misschien zou hij het niet hebben gedacht als hij had geweten dat een kleine man met een alledaags gezicht hem vanuit het restaurant was gevolgd en in hetzelfde metrostel was gestapt. Na één halte al was Oriol in de Carrer de Fontanella en de kleine schaduw achter hem aan. Al na een half uur was hij onderweg in de richting van Molins de Rei, terwijl hij nog steeds gejaagd ademhaalde en dacht: ik heb hem gedood, ik heb uit wraak een man gedood, ik heb gedood, ik heb Valentí Targa gedood en ik ben er niet trots op, mijn dochter. Maar ik dacht aan je moeder, toen ik het deed; en aan de moeder van Ventureta. Op de motor kreeg ik het gevoel dat ik de huid van lafheid, die me bedekte, begon af te stropen en het kon me geen moer schelen dat, als ze me op het spoor kwamen, niemand me van de wurgpaal kon redden. Het eerste wat ik deed toen ik in Torena aankwam, ’s avonds, het was al donker, was het pistool op zijn plaats terugleggen, zonder munitie, want ik wist niet waar de overledene de kogels bewaarde. Ik ging in bar Marés koffie drinken en liet me ontvallen dat ik zojuist uit Lleida was teruggekomen. En Modest zei hem, nadat hij met een doek over het smetteloze marmer had geveegd: ‘De heer Valentí Targa heeft u nog niet zo lang geleden gebeld.’

Traduit par Pieter Lamberts i Joan Garrit
Jaume Cabré, De stemmen van de Pamano . Utrecht: Uitgeverij Signature, 2007.
Jaume Cabré, 2004, ILC. Foto: Tanit Plana
Recherche d’auteurs
A-B-C-D - E-F-G - H - I
J - K - L - M - N - O - P - Q - R
S-T-U-V-W-X-Y-Z
Traductions de la littérature catalane
Ici, vous trouvez d’autres pages web sur la littérature catalane:
Prosa
Avec le soutien de: